De toekomst van Oranje: data aan het woord

Dat het Nederlands elftal het WK in Rusland zou mislopen, stond al enige tijd vast. De voornaamste vraag die de afgelopen tijd onbeantwoord bleef, ging over de toekomst van Dick Advocaat. Blijft-ie of blijft-ie niet? Na het laatste oefenduel met Roemenië gaf de recordbondscoach aan er de brui aan te geven. Zodoende wacht de KNVB de taak een nieuwe nationale oefenmeester aan te stellen. Een trainer die ongetwijfeld als taak krijgt ‘door te selecteren’, de selectie te verversen. Sterspeler Arjen Robben gaf immers reeds aan te stoppen als international, generatiegenoten Wesley Sneijder en Robin van Persie zullen het komende EK in 2020 eveneens niet meer meemaken en de nodige jongere spelers toonden de afgelopen kwalificatieperiode aan niet van voldoende niveau te zijn om Oranje naar eindtoernooien te loodsen.

Nieuwe Oranjekandidaten dus, waar vind je ze? Moet de nieuwe bondscoach het hele land door, of kan hij zijn aandacht richten op specifieke provincies? Uit welke regionen komen de ‘langst houdbare’ internationals, waar we de komende pakweg tien jaar mee verder kunnen? Waar komen de geboren doelpuntenmakers vandaan? De opvolger van aanvoerders Robben en Sneijder, waar stond statistisch gezien waarschijnlijk zijn wieg? Data bieden interessante inzichten. Van Lambert Verdonk tot Donny van de Beek: een analyse op basis van de gegevens over alle voetballers die tussen 1964 – tien jaar voor het succesvolle WK ’74 – en nu debuteerden in Oranje.

De afgelopen 53 jaar maakten in totaal 356 spelers hun debuut in het Nederlands elftal, vanzelfsprekend met wisselend succes. Zo ontvingen op 16 november 1994 zowel Youri Mulder – geboren in Brussel, toen vader Jan voor Anderlecht speelde – als Amsterdammer Patrick Kluivert hun haasje. Waar de interlandcarrière van eerstgenoemde beperkt bleek tot negen duels, groeide Kluivert uit tot houder van het doelpuntenrecord, totdat dit door Robin van Persie verbroken werd. En terwijl John Veldman, uit Paramaribo, op 24 april 1996 zijn eerste en enige wedstrijd in Oranje speelde, was dit voor geboren Eindhovenaar Phillip Cocu slechts de eerste van in totaal liefst 101 interlands. Alle Nederlandse provincies hebben tenminste één international voortgebracht, terwijl twaalf andere landen dan Nederland eveneens de geboortegrond vormden voor Oranjeklanten. Onderstaand diagram geeft dit weer.

Veruit de meeste internationals werden geboren in Zuid- of Noord-Holland, terwijl ook Noord-Brabant en Gelderland een oranje voedingsbodem blijken te hebben. Dat de meesten uit de Randstad komen, mag geen verrassing heten. Ajax en Feyenoord zijn nu eenmaal altijd hofleverancier geweest van het Nederlands elftal en pikken hun talenten, zoals iedere Nederlands profclub, voornamelijk op in de eigen regio. Hetzelfde geldt voor het Brabantse PSV, waarbij tevens vermeld dient te worden dat Noord-Brabant nog liefst zeven andere profclubs telt. Gelderland kent ‘slechts’ De Graafschap, NEC en Vitesse en is daarmee enigszins de vreemde eend in de bijt. Wat verder opvalt is de hoge positie van Suriname, waar meer internationals vandaan komen dan uit de provincies Groningen, Friesland, Zeeland, Flevoland en Drenthe. Er zijn nog drie andere landen waar meer dan één Oranjeklant het leven zag, te weten Zwitserland (de gebroeders Siem en Luuk de Jong en Terence Kongolo), Canada (John van ’t Schip en Jonathan de Guzman) en Liberia (de broers Collins en Ola John).

Wat vertellen deze gegevens ons nu? Niet zo heel veel, eigenlijk. Om het één en ander inzichtelijker te krijgen, is het wellicht interessant om te kijken hoeveel interlands de voetballers uit al deze verschillende regio’s speelden. Immers, het is aannemelijk dat in dit geval kwaliteit en kwantiteit hand in hand gaan. Goede spelers worden vaker opgeroepen, voor mindere spelers blijft het doorgaans bij (een) enkele interland(s). Ook met het oog op de toekomst is dit relevant: het Nederlands elftal heeft een fundament nodig waarmee het jaren vooruit kan. Laten we daarom een blik werpen op het volgende diagram, dat het aantal internationals per provincie/land afzet tegen de hoeveelheid wedstrijden die deze voetballers in Oranje speelden. Om een representatieve weergave te krijgen, zijn alleen de provincies/landen opgenomen die tenminste vijf verschillende internationals voortbrachten. Zodoende vallen de provincies Flevoland en Drenthe buiten de data, evenals alle landen, met uitzondering van Suriname.

Deze vorm van nuance werpt duidelijk een nieuw licht op de zaak. Waar de meeste internationals uit Zuid-Holland bleken te komen, valt nu te zien dat zij zeker niet de meeste interlands op hun naam hebben staan. Spelers uit maar liefst zes andere regio’s blijken ‘duurzamer’ dan de Zuid-Hollanders. Dit geldt bijvoorbeeld voor de 22 Utrechters in Oranje, die gemiddeld 26 interlands speelden. Dit aantal wordt voornamelijk opgekrikt door recordinternational Wesley Sneijder (133 interlands), Hans van Breukelen (73), Jan Wouters (70) en Marco van Basten (58). De hoge score voor de Zeeuwen komt op het conto van Willem van Hanegem (52) en Danny Blind (42), terwijl Groningen vertegenwoordigd wordt door Arjen Robben (96), Arie Haan (35) en Hugo Hovenkamp (31). En ondanks dat Clarence Seedorf naar eigen zeggen veel meer interlands had kunnen spelen dan de 87 die hij op zijn naam heeft staan, houdt hij samen met Aron Winter (84) en Edgar Davids (74) het aandeel ‘Suriname’ hoog. Tevens valt op dat, evenals Zuid-Holland, ook Gelderland een vrije val maakt, in vergelijking met het eerste diagram. Van alle 38 Gelderse internationals speelden er liefst negen slechts één interland, terwijl er maar vijf Gelderlanders boven de dertig interlands uitkomen (Jan Peters, Jasper Cillessen, Roy Makaay, Klaas-Jan Huntelaar en Marc Overmars).

Voor internationals die een poos meekunnen, moeten we dus in Noord-Holland, Utrecht, Zeeland en Groningen zijn. Maar dan het strijdplan. Laten we uitgaan van het adagium van Cruijff: “Je moet altijd zorgen dat je een doelpunt meer scoort ‘als’ de tegenstander.” Waar komen deze goals dan doorgaans vandaan? Kijken we naar absolute aantallen, dan is het antwoord ‘Noord-Holland’, zoals ook blijkt uit het cirkeldiagram hierboven. Dat ook Zuid-Holland, Noord-Brabant en Gelderland tamelijk hoog scoren, mag gezien de al eerder vastgestelde hoeveelheid internationals uit deze provincies geen verrassing heten. Echter, een club zal eerder een spits kopen die tien keer scoort in twintig wedstrijden, dan een ander die er twintig maakt in honderd duels. Het gaat om efficiëntie, ook wat betreft Oranje. Het aantal wedstrijden dat een speler gemiddeld nodig heeft om een doelpunt te maken, is daarom hieronder weergegeven.

Gemiddeld scoort een Oranje-international één keer per acht wedstrijden. Uit deze gegevens valt af te lezen dat Zuid-Hollanders, Surinamers, Friezen en Limburgers gemiddeld tweeënhalf keer zoveel wedstrijden nodig hebben om een doelpunt te maken dan Groningers. Ook Noord-Hollanders en Gelderlanders scoren aanmerkelijk makkelijker dan spelers uit deze vier regio’s, terwijl spelers uit Utrecht en Noord-Brabant eveneens (net) onder het gemiddelde zitten. Voor Zeeuwen en Overijsselnaren geldt dat ze net wat minder efficiënt zijn dan hun doorsnee collega.

Kanttekening hierbij is dat het aantal doelpunten per speler nogal afhankelijk is van de positie waarop deze speelt. Het volgende staafdiagram laat zien hoe de verschillende provincies qua posities op het veld verdeeld zijn. Gesorteerd is op het percentage aanvallers. Relatief gezien blijken de noordelijke provincies de meeste aanvallers op te leiden, terwijl uit Zuid-Holland en Gelderland voornamelijk respectievelijk verdedigers en middenvelders komen. Voor Noord-Holland, de provincie met de meeste interlands, geldt dat er geen enkele positie uitspringt. Des te opvallender is daarom dat Noord-Hollandse internationals desondanks na Groningers het meest efficiënt zijn als het om doelpuntenmaken gaat, gevolgd door Gelderland, dat nauwelijks aanvallers levert. Scorende middenvelders vind je kennelijk in de Achterhoek of op de Veluwe. Verder lijkt het weinig zin te hebben om spitsen op te roepen uit Friesland of Overijssel, deze scoren zelden.

Gaat het over Groningse doelpuntenmakers, dan gaat het over Arjen Robben. Met het afscheid van de man uit Bedum levert Oranje 37 doelpunten in 96 interlands in. Maar dat niet alleen, het houdt tevens in dat er een nieuwe aanvoerder aangewezen moet worden. Nu ook Wesley Sneijder langzamerhand naar de uitgang wordt gedirigeerd, ligt het voor de hand dat Kevin Strootman voorlopig de band draagt. Maar waar komen de leiders van de toekomst vandaan?

Op basis van de cijfers uit het verleden (zie diagram hieronder: aantal interlands met aanvoerder uit provincie X gedeeld door het totale aantal gespeelde interlands door spelers uit provincie X) is het meest voor de hand liggende antwoord op die vraag ‘Zeeland’. Dit beeld wordt echter behoorlijk gekleurd door het feit dat Danny Blind werd geboren in Oost-Souburg en in liefst twintig van zijn 42 interlands captain was. De enige andere Zeeuw die de band droeg, was Willem van Hanegem, in twee van zijn 52 duels in Oranje. Iets vergelijkbaars geldt voor de provincie Groningen, met Arjen Robben 24 maal als aanvoerder en Jeroen Zoet ooit één keer, terwijl de Limburgse eer uitsluitend door zestienvoudig Oranje-aanvoerder Mark van Bommel wordt hooggehouden. Wanneer deze drie provincies buiten beschouwing gelaten worden, wordt duidelijk dat de leiders van het Nederlands elftal door de jaren heen uit de Randstad komen. Met 71 wedstrijden is Frank de Boer uit het Noord-Hollandse Hoorn de absolute recordhouder, gevolgd door Ruud Krol (45) en Ruud Gullit (41), beiden afkomstig uit Amsterdam. Pas op plek negen komen we een niet-Randstedeling tegen, in de persoon van Arjen Robben, tussen Utrechter Wesley Sneijder en Rotterdammer Robin van Persie in. Kunt u zich overigens nog herinneren wanneer Denny Landzaat de eer had Oranje aan te voeren?

Al met al laten de data enkele zeer boeiende verbanden zien tussen de geografische oorsprong van Nederlands elftalspelers en hun prestaties in Oranje. Noord-Hollanders, Utrechters en Zeeuwen blijken het meest toekomstvast, zij spelen gemiddeld de meeste interlands. Spelers uit Friesland, Limburg, Overijssel en Gelderland daarentegen hoeven doorgaans niet te rekenen op een langdurige interlandcarrière. Groningers, Noord-Hollanders en Gelderlanders scoren het gemakkelijkst, terwijl van Zuid-Hollanders, Surinamers, Friezen en Limburgers nauwelijks doelpunten te verwachten zijn (met uitzondering van Robin van Persie en Dirk Kuyt). En tot slot: het kan haast niet anders dan dat we na wedstrijden vrijwel uitsluitend spelers uit de Randstad voor de camera te zien krijgen. Zij zijn, meer dan ‘provincialen’, geboren leiders en daarom bij uitstek geschikt om aanvoerder van Oranje te zijn. Dit zijn de theoretische bespiegelingen, nu de praktijk nog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *