Column: Jesse en de zeshonderd schaapjes

©Frank Breukelman Media – Meetup GroenLinks

Vanavond ben ik bij de voorstelling ‘Jesse en de zeshonderd schaapjes’ geweest. Nu moet u weten: ik ben niet zo’n toneelliefhebber, maar de entree was gratis en ik had toch geen andere plannen. Het vond plaats in Hedon, Zwolle.

Omstreeks half acht liep ik het gebouw binnen. Het was gematigd druk. Volgens de vooraankondiging zouden er zo’n zeshonderd bezoekers zijn. Ik keek op mijn horloge en bedacht me dat de rest ongetwijfeld nog zou komen. De voorstelling zou om acht uur beginnen. Na koffie besteld te hebben, settelde ik me aan één van de opgestelde staantafels in de foyer. De andere reeds gearriveerde gasten hadden zich zichtbaar gekleed op de gelegenheid. Netjes, maar niet te chique. De heren droegen blousjes op hun spijkerbroek, de dames hadden de hoge hakken thuisgelaten, maar hadden hun vrijetijdskleding wel degelijk verruild voor een outfit die past bij een avondje uit. Rond kwart voor acht verplaatste ik mezelf naar de zaal en nam helemaal achteraan plaats bij de bar. Het binnendruppelende publiek observerend moest ik vaststellen dat ik met mijn 24 jaar ruimschoots onder de gemiddelde leeftijd zat. Deze schatte ik op pakweg 55. De sfeer was gemoedelijk, veel mensen leken elkaar te kennen. Een van de weinige aanwezige jongemannen (lang haar, flinke baard, wijde trui) flirtte opzichtig met het meisje achter de bar. Vlak voordat hij beet had, dempte het licht echter iets en kwam er een dame het podium op. De voorstelling kon beginnen.

Ze stelde zich voor als Suzanne Kröger. Op een kleine verspreking na – “Schiph…, ehh, Lelystad Airport natuurlijk” – oogde ze redelijk ontspannen. Ze leek er zin in te hebben en vertelde het publiek wat het deze avond kon verwachten. Het stuk zou gaan over de strijd van Suzanne en haar makkers tegen een monster. Of nee, niet slechts één monster, maar een hele populatie van vliegende draken, die ze ‘vliegtuigen’ noemde. Die vliegtuigen hebben Lelystad als bestemming en neigen ernaar om hun laatste pakweg vijftig kilometer op nog geen kilometer hoogte te vliegen, waarbij ze een oorverdovend lawaai ten gehore brengen. En die laatste vijftig kilometer, dat was precies boven het woongebied van het aanwezige publiek. Voelt u de spanning?

Een tweede personage betrad vervolgens de planken, vergezeld van een – door Suzanne aangezwengeld – luid applaus. Zij had hem reeds voorgesteld: Leon Adegeest, alias ‘De Pitbull van Dalfsen’. De Pitbull had zich duidelijk vastgebeten in zijn tekst, maar het acteerwerk liet enigszins te wensen over. Het zal de spanning geweest zijn: Adegeest gaf aan het begin van zijn relaas reeds aan dat hij dit ‘niet elke dag’ doet. Uit zijn verhaal viel op te maken dat het monster was gecreëerd in Den Haag, door een soort kwade genius die ‘het kabinet’ gedoopt werd. Bij iedere sneer die De Pitbull uitdeelde aan deze schepper, joelde het publiek er flink op los. Het leek alsof Adegeest niets verkeerds kon zeggen. Bij het – tot dan toe – demagogische hoogtepunt, “hoe gek denken ze in Den Haag wel niet dat we zijn in het Oosten”, brak men welhaast de tent af. Maar toen moest het hoofdpersonage nog komen…

Als een darter zonder walk on-girls kwam hij van achteruit de zaal het podium opgestoven, begeleid door ‘I Gotta Feeling’ (that tonight’s gonna be a good night) van de Black Eyed Peas. Nette pantalon, de mouwen van het witte overhemd zoals inmiddels gebruikelijk opgestroopt. Nadat de iets te lang door blijven lopende muziek was opgehouden, vroeg Jesse Klaver zich hardop af of er wellicht ook ‘mensen uit Zwolle’ aanwezig waren. U verwacht het niet, maar er klonk gejoel door de zaal. Toevallig ook Apeldoorners? Welja, zelfs die. Dat de mensen uit Lelystad door de ‘Jessias’ werden aangesproken als ‘Lelystadters’ deerde hen niet: ook zij maakten hun aanwezigheid met graagte kenbaar.

Wat volgde was een staaltje volksmennerij waar de honden geen brood van lusten. Klaver wisselde rustige episodes, waarin hij onder andere vertelde over de wijze lessen van zijn opa, die hij als achtjarige tot op het woord nauwkeurig had onthouden, af met stemverheffingen en vurige pleidooien. Wanneer het klapvee niet meteen doorhad dat er een applaus verwacht werd (hetgeen slechts een enkele keer voorkwam, of wellicht waren de handen inmiddels al stukgeslagen), hield hij gewoon een pauze om het publiek ‘de kans’ te geven hem wederom toe te juichen. Deze gênante vertoning hield Klaver een minuut of twintig vol. Hierna kreeg het publiek de kans vragen te stellen. Dit wil zeggen: men steke eerst een oneindig aantal veren in het achterwerk van de hoofdrolspeler en sluit af met een vraagteken. Wie er vragen mocht stellen werd bepaald door een tweetal medewerkers van de toneelvereniging GroenLinks. Geheel toevallig kwamen er zodoende onder anderen twee lokale GroenLinks-fractieleiders aan het woord en enkele leden van de stichting ‘Red de Veluwe’, die bijzonder gebaat is bij een vliegtuigarm luchtruim boven hun natuurgebieden. Na het slotwoord verliet de ‘Vliegtuigverlosser’ onder luid applaus het podium. “We want more” ontbrak er nog net aan.

Mocht u nu denken dat ik per definitie iets tegen GroenLinks of Jesse Klaver heb: dat is niet het geval. Heb ik iets mét de partij? Nee, ook niet zozeer. Ben ik dan groot voorstander van Lelystad Airport. Nee. Tegenstander evenmin. Ik was vooral erg benieuwd hoe een ‘GroenLinks-meetup’, een avond met uitsluitend gelijkgestemden, eruit zou zien. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat het eng zou worden, sektarisch. Dat viel reuze mee. Het was vooral lachwekkend.