Column: Jinek heeft nog veel te leren

Deze week heeft er iets schokkends plaatsgevonden. U moet weten: als nieuwsjunk ben ik een vaste kijker van Jinek, sla zelden een aflevering over. Maar de laatste tijd bekruipt me steeds vaker een onbehaaglijk gevoel, dat ik niet goed kan thuisbrengen. En donderdagavond, omstreeks tien uur, volgde de climax, toen ik de TV Gids-app opende om te kijken wie er die avond aan tafel zouden zitten. En daar stond het, de naam van NOS-fossiel Charles Groenhuijsen. Hij werd vergezeld door schrijver en beroepschagrijn Tommy Wieringa, de Amsterdamse wethouder Laurens Ivens en zijn vrouw en, als klap op de vuurpijl, Wendy van Dijk en nog een andere actrice, een zekere Romana Vrede. De volgende ochtend werd ik uitgerust wakker: ik was een uurtje eerder naar bed gegaan dan normaliter.

Vooral de aanwezigheid van Groenhuijsen maakte dat ik besloot om maar een aflevering over te slaan. Voor mijn gevoel schuift de man iedere week aan, om Eva’s favoriete onderwerp, Donald Trump, te bespreken (lees: af te zeiken). In de praktijk bleek hij sinds het nieuwe seizoen van Jinek begon, op 4 december jongstleden, pas voor de tweede keer te gast te zijn. Maar ik had het gisteren opnieuw, toen Teun van de Keuken weer eens kwam vertellen over hoe we belazerd worden door de voedingsmiddelenindustrie (of in dit specifieke geval: een app van het Voedingscentrum). Ik ben de gastenlijst van het programma eens door gaan neuzen en wat blijkt: na politiek commentator Joost Vullings is Van de Keuken de meest uitgenodigde gast! Liefst vier keer mocht hij de afgelopen 35 uitzendingen komen opdraven, waarvan liefst driemaal in de afgelopen twee weken.

Zou hier dan dat gevoel vandaan komen? Zie ik te vaak dezelfde personen aan tafel? Welnu, een rekensommetje. Sinds 4 december hebben er 35 afleveringen van Jinek plaatsgevonden. In deze afleveringen verwelkomde Eva in totaal 148 unieke gasten. Dertien van hen keerden vaker terug aan tafel, gemiddeld 2.53 keer (zie het diagram hieronder). Zodoende zat er 168 keer een gast aan tafel, ongeacht zijn of haar naam. Wanneer we dit delen door het aantal uitzendingen, 35, komen we op een gemiddelde van 4.8 gasten per uitzending. De kans dat een gast voor (tenminste) de tweede keer aanschuift, is 19.64 procent. Dit vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal gasten per aflevering, 4.8, levert het getal 0.94 op. Dit is het gemiddeld aantal terugkerende gasten per uitzending. Kortom: in vrijwel iedere editie van Jinek zit één gast die je onlangs al eerder aan tafel hebt zien zitten! Daarbij komt nog dat het merendeel van de hierboven weergegeven terugkerende gasten personen uit de media zijn, vaak journalisten. Dit maakt dat zij zich met enige regelmaat mengen in de overige gesprekken aan tafel, hetgeen waarschijnlijk het gevoel dat je iedere keer naar dezelfde mensen zit te kijken versterkt.

Maar dit is niet het enige. Ook Jeroen Pauw verwelkomt met enige regelmaat dezelfde gesprekspartners, maar naar zijn programma kijk ik altijd met veel plezier. Met meer plezier dan naar Jinek. Grotendeels komt dit door de totaal verschillende manier waarop beide presentatoren hun talkshow leiden. Eva Jinek is een uitstekende journalist, in de zin dat ze zich perfect voorbereidt op de gesprekken. Ze leest zich tot in de puntjes in en heeft, zo vermoed ik, op haar papieren exact staan wat ze wil gaan vragen en in welke volgorde. Daar valt natuurlijk wat voor te zeggen, maar ze gaat ermee wel voorbij aan het genre waaronder haar programma valt: een talkshow. Jinek maakt er met enige regelmaat een interviewshow van, met een duidelijke rolverdeling: zij als vragensteller, de gast als respondent. Echter, wanneer een andere tafelgast zich met het gesprek wil bemoeien, wordt dit in de regel snel afgekapt. Er mag beslist niet buiten de lijntjes gekleurd worden. Hierin zit het grote verschil met haar mannelijke collega. Jeroen Pauw laat het gesprek aan tafel ontstaan, hetgeen veel natuurlijker overkomt. Hij lijkt zich, meer dan Jinek, te realiseren dat de kijker thuis naar een tafel vol mensen zit te kijken, in plaats van naar een talkshowhost die vergezeld wordt door (aan haar ondergeschikte) gasten.

Verder zit ik bij Jinek me nog te vaak op de bank op te winden over door haar gemiste kansen. “Vraag dan door!”, ik roep het af en toe hardop. Tevergeefs. Of laatst, met de drie studentes aan tafel, over de door Rambam vastgestelde misstanden binnen hun studentenvereniging. Die had Eva volledig moeten fileren, ze kreeg het mes zelfs in de schoot geworpen. Maar ze spaarde hen, weigerde zich hardop af te vragen of het nieuwe lid niet door het bestuur gedwongen werd zich van alle aantijgingen te distantiëren, teneinde lid te mogen blijven.

En dan nog de dagelijkse dosis Trump die de kijker door de strot geduwd krijgt. Iedere scheet wordt breed uitgemeten. Zit Groenhuijsen of een andere Amerika-kenner niet aan tafel om te reageren op een domme uitspraak van de VS-president, dan komt er wel minstens één fragmentje van een Amerikaanse comedian voorbij in het dagelijkse rubriekje ‘Wat ons vandaag verder opviel in het nieuws’. De redactie van Jinek zou zich eens moeten realiseren dat zij het nieuws dient te selecteren dat voor de kijker relevant is, niet wat de dame aan het hoofd van de tafel grappig vindt.

Nee, Omroepvrouw van het Jaar of niet, er valt nog een hoop te leren. Ik verheug me alweer op het nieuwe seizoen van Pauw, maar tot dan toe zal ik gewoon naar Jinek blijven kijken. Van Humberto Tan als alternatief wordt immers niemand vrolijk, behalve Tan zelf.

Column: The Stupid One

Ik moest het even een tweede keer lezen. En een derde. Was dit nu nepnieuws? Of een linkje naar De Speld? Maar nee, het is heus: het lijkt Tunahan Kuzu van DENK een goed idee om een ‘videoscheidsrechter’ in te voeren in de Tweede Kamer, als back-up voor Kamervoorzitter Khadija Arib. En dat is niet uit mededogen voor Arib, van wie Kuzu onlangs vermoedde dat haar werk te vermoeiend zou zijn. We moeten het vooral zien als een scheidsrechter voor de scheidsrechter, want bij DENK is men van mening dat de voorzitter bepaalde partijen voortrekt (of eigenlijk vooral dat zij DENK benadeelt). Cynici zouden kunnen zeggen dat Arib daarmee een thuisfluiter is, aangezien de heren van DENK niet in de Tweede Kamer thuishoren.

Het is een tamelijk treurige constatering: Kuzu en de zijnen reduceren het politieke proces tot een partijtje voetbal of hockey. Daarbij is de partij totaal niet bezig om haar (politieke) doel te bereiken, maar probeert men slechts te scoren door zich te beklagen over de arbitrage. Kuzu is daarmee de José Mourinho van de politiek. Deze Portugees gaf zichzelf als trainer van Chelsea ooit de weinig bescheiden bijnaam ‘The Special One’. Maar hoewel dit natuurlijk getuigt van een ongezond hoge dosis arrogantie, komt hij er doorgaans wel mee weg. Waarom? De man heeft succes, wint overal prijzen.

In dit laatste zit ‘m waarschijnlijk de grootste contradictie met Kuzu. Hij heeft het met zijn beweging weliswaar tot drie Kamerzetels geschopt, maar zal nooit de Champions League van de politiek winnen, in de zin van het mogen uitoefenen van enige beleidsmatige invloed. Dit omdat hij het aantal vissen in zijn stemvijver met iedere lachwekkende uitspraak die hij doet verder verkleint. Er zullen ongetwijfeld (voornamelijk allochtone) Nederlanders blijven die sympathiseren met de partij, die zegt voor gelijkheid te staan maar zich overduidelijk vrijwel uitsluitend op de Turks-Marrokkaans-Nederlandse gemeenschap richt. Het overgrote merendeel van het electoraat zal de partij echter niet serieus kunnen en willen nemen. Bovendien zal het openlijk en structureel in diskrediet brengen van de democratisch gekozen Kamervoorzitter de ideëen van DENK bepaald geen extra steun vanuit de Kamer opleveren (voor zover daar momenteel al sprake van is). Kuzu mag zich dan ook met recht ‘The Stupid One’ noemen.

Column: Boef boven boef

Deze column schrijf ik in dronken toestand, dan weet u het vast. Mocht u zich in het vervolg van dit stuk beledigd voelen, dan geldt dus deze verzachtende omstandigheid. Komt-ie: alle rappers zijn notoire proleten (‘tantoe coulies’, voor wie deze termen niet kent). Ze produceren de meest kansarme, inhoudsloze en taaltechnisch volstrekt ridicule teksten, vergezeld van een beat die zelfs vergeleken met het geluid van een langzaam stervend speenvarken nog niet als muziek te bestempelen valt. ‘Gaat dit nu niet wat ver?’, hoor ik u denken. Wellicht, maar goed: dronken hè.

Ja, het was het weekje van de slappe excuses. Of nee, de non-excuses. Camiel Eurlings had het liefst eerst van iedere individuele Nederlander persoonlijk vernomen dat ‘sorry’ wel op zijn plaats was na het mishandelen van zijn ex-vriendin, maar kwam na tweeënhalf jaar en een niet aflatende storm van kritiek dan eindelijk over de brug. Of eigenlijk keerde hij halverwege de brug weer om, door te blijven spreken over ‘eenvoudige mishandeling’ en te ontkennen dat het voorval hem een strafblad heeft opgeleverd (maar wel ‘een aantekening in zijn justitiële documentatie’, what’s in a name). Vreemd eigenlijk dat Eurlings zich niet meteen na het incident beriep op het feit dat het handgemeen plaatsvond na een feestje, waarop ongetwijfeld gedronken zal zijn. Dan was er natuurlijk niets aan de ‘hand’ geweest.

Maar er is altijd baas boven baas, of Boef boven boef in dit geval. De rapper/treitervlogger noemde een stel dames dat hem tijdens nieuwjaarsnacht had opgepikt, nadat hij met pech aan de kant van de weg was komen te staan, ‘kechs’, ofwel ‘hoeren’ (dat heeft Nederland toch maar mooi geleerd deze week). Jongedames die zich kleden op een manier die zij leuk vinden en ’s nachts nog op straat of in de club te vinden zijn, dat zijn ‘kechs’. Stank voor dank, of zoals Boef de dag erna uitlegde: stank door drank. Zijn uitspraken had hij onder invloed van alcohol gedaan en bovendien:

“Wij rappers gebruiken woorden als bitches, kechs, en het is niet per se heel beledigend maar dat wordt natuurlijk wel zo opgevat en dat begrijp ik ook. Ehm, hierbij mijn excuses naar dames toe, ook naar alle dames die ik heb beledigd en die zich beledigd voelen.”

‘Niet per se heel beledigend’. Dat is ongeveer hetzelfde als ‘eenvoudige mishandeling’ maar wel met onder andere een gebroken elleboog tot gevolg. Of ‘baggermuziek, maar waar je oren nog niet van gaan bloeden’. De rapper deed er in een ander Snapchat-filmpje nog een schepje bovenop:

“Als je thuiszit, de hele dag niks doet, studeert, lief doet, dit, dat, naar mama en papa luistert, dan noem ik je een vrouw.”

Laten we het maar niet hebben over de tamelijk verwarrende paradox tussen enerzijds thuiszitten en niets doen en anderzijds studeren, maar liever over de totale minachting van Boef’s eigen doelgroep, die uit dit citaat blijkt. Hij zegt nog net niet letterlijk dat zij die optredens van een over het paard getilde rapper bezoekt, zichzelf geen vrouw mag noemen. Een uitspraak die hem door collega-rappers, die uit dezelfde publieksvijver vissen, ongetwijfeld niet in dank afgenomen zal worden, zou je denken. Maar wat blijkt: ze nemen het unaniem op voor Boef, door zijn gedrag in gelijke bewoordingen te bagatelliseren. Hiphop-pionier Brainpower reageert bijvoorbeeld op de ‘Boef-ban’ van Q-music-dj Mattie Valk: “Het heeft geen zin. Het interesseert de fans van Boef niet of hij nou wel of niet op Q-Music wordt gedraaid.” En Willy Wartaal (De Jeugd van Tegenwoordig) blaast het fenomeen ‘argumentum ad hominem’ nieuw leven in, in zijn reactie op een vernietigend stuk van Wierd Duk in de Telegraaf: “Ja, het is Wierd Duk – in de Telegraaf – over Boef: wat verwacht je?”.

Kritiek kwam er overigens uit onverwachte hoek. Op Twitter liet Ismaïl Ilgün, bekend geworden als treitervlogger, tegenwoordig zelfbenoemd ‘content creator’ (over inhoudsloze terminologie gesproken), zich als volgt uit:

“Deze jongen gaat t nooit leren. Je neukt zelf vrouwen, bent elke dag laat in de club, gaat van vrouw naar vrouw wat ben jezelf dan? Hoertje/hypocriet. Begon m te mogen maar na al die fouten en nog steeds niet ervan leren laat zien wat voor sukkel t is. Doe wat goeds met je bereik.”

De winnaar van de ‘Pot verwijt de ketel-award’ van 2018 is hierbij alvast bekend. Maar ik keer nog even terug bij de doelgroep die Boef aanspreekt. Dit zijn grotendeels jongeren (of zelfs kinderen), die hem als een voorbeeld beschouwen. En zij beschouwen de teksten die de rapper uitslaat dan ook als normaal, zoals blijkt uit een steekproef(je) van de NOS. Dat zal dan ook gelden voor hetgeen Boef in zijn liedjes allemaal roept en dat is niet mals. Me verdiepend (voor zover sprake van diepgang) in wat songteksten kan ik niet anders concluderen dat de hedendaagse populaire rappers vrijwel uitsluitend teksten uitslaan die aan alle realiteitszin voorbijgaan. Geld dat als vanzelf komt aanwaaien is een veel terugkerend thema. Verder een willekeurige greep uit een aantal populaire lyrics:

“Voor die goldies zet ik brakkas (inbraken, red.) man” (Boef, Habiba);

“Wiet en hasjiesj, gingen naar voorbijgangers, coke en pillen, rechtstreeks naar de gabbers” (Sevn Alias, Een Klein Beetje Geluk)

“Geen Instagram, maar Interpol, ze zoeken naar m’n winterhol” (Killer Kamal, Volg Je Moeder”)

Wellicht kunnen radiostations en festivalorganisatoren een voorbeeld nemen aan Boef door ook een hele groep over één kam te scheren, in dit geval rappers die dit soort achterlijkheden uitslaan. Niet meer draaien, niet meer uitnodigen. En tot slot een wijze raad aan Boef zelf: volg het voorbeeld van Eurlings, die uiteindelijk toch opstapte bij het IOC. Kap ermee.

Column: Cadeaus en Christus

Vanmiddag liep ik door de Zwolse binnenstad met een tas vol enquêtes. Benieuwd als ik was naar de – naar verluidt – toenemende commercialisering van het Kerstfeest, vroeg ik het winkelend publiek of zij aan cadeaus doen, hoeveel zij daar aan uitgeven en wat voor cadeaus zij het liefst geven en krijgen. Dit middels een digitale vragenlijst, zodat de deelnemers deze konden invullen op een moment dat hen dit uitkwam. Exact vier reacties kreeg ik. Marijke (49) geeft haar geliefde(n) morgen parfum en sjaals. Ook Ben (25) kocht een geurtje en daarbij sieraden. Beiden besteedden een bedrag van ongeveer tachtig euro. De 23-jarige Louise kocht een horloge (± tachtig euro) en een 25-jarige man die zijn naam voor zichzelf houdt, geeft een ‘weekendje weg’ cadeau, voor een bedrag van pakweg vijftig euro. Kortom: missie mislukt, de respons was veel te laag.

Toch was deze middag beslist niet vruchteloos. Waar ik op zaterdag reeds alle hoofdpersonen uit het kerstverhaal in levende lijve door de stad zag lopen (waarbij de ezel was veranderd in een kameel, die de Sahara had verruild voor de Zwolse bijna-vrieskou), waren ook deze middag vrijwel alle winkels geopend, draaiden de oliebollenbakkers op volle toeren en werd er van de stadsijsbaan gretig gebruikgemaakt door de jeugd, terwijl hun ouders zich in de sfeervol opgezette tent ernaast tegoeddeden aan glühwein (tsja, smaken verschillen). Let wel: het was zondagmiddag, in een stad waar de ChristenUnie de scepter zwaait en waar er in de maand december reeds twee koopzondagen hadden plaatsgevonden. Op verzoek van de winkeliers was hier dus een derde aan toegevoegd, want de dag voor Kerst, dan valt er goud geld te verdienen. Kerst is één groot commercieel fenomeen geworden.

“Laten we Kerst omarmen zoals het is: commercieel, maar warm en verbindend”

Is dat erg? Welnee! Nog geen veertig procent van de Nederlanders hangt tegenwoordig nog het christendom aan, waaraan nog moet worden toegevoegd dat slechts één op de zes weleens een religieuze dienst bezoekt. Voor aanzienlijk meer dan de helft van Nederland is Kerst dus niet (meer) de jaarlijkse viering van de geboorte van Jezus Christus. Ik kan me voorstellen dat dit voor zij die wel geloven moeilijk te verkroppen zal zijn. Echter, een kernwaarde van het christelijk geloof, naastenliefde en respect voor eenander, leeft beslist voort in de ‘moderne’ manier van kerstvieren. Want ondanks dat vrijwel niemand de moeite nam om mijn vragenlijst in te vullen, kreeg ik van niemand een geïrriteerde of verontwaardigde blik. Ik durf er een rollade of een heel gourmetpakket op te verwedden dat dit op een reguliere, doordeweekse dag beslist wel gebeurd zou zijn. En persoonlijk mogen van mij de cadeaus best achterwege gelaten worden, maar de sfeer die ‘Kerst in zicht’ met zich meebrengt, verantwoordt het volledig om ze wél te kopen.

Laten we daarom Kerst omarmen zoals het is: commercieel, maar warm en verbindend. Geef elkaar vooral cadeaus, zeker nu Sinterklaas tot allerlei heisa leidt, verkleed jezelf als Coca Cola-Kerstman, koop vooral ieder jaar een nieuwe outfit die je daarna vrijwel nooit meer draagt, eet jezelf helemaal vol en beschouw Kerst als een feest van verbroedering. En bovenal: heb uw naasten lief als uzelf. Dat zou voor eenieder elk jaar bovenaan de lijst met goede voornemens moeten staan.

Column: “Iets om zijn middel”

Zo vlak voor het sluiten van de markt diende zich opeens nog een kandidaat-woord aan voor de verkiezing ‘Woord van het Jaar 2017’, namelijk de ‘ruitenmepper’. De ochtend na de dag waarop de Amerikaanse president Trump uitsprak Jeruzalem te erkennen als hoofdstad van Israël, waarmee hij het voltallige Palestijnse volk tegen zich in het harnas joeg,vernielde een onverlaat de ramen van een Israëlisch restaurant in Amsterdam-Zuid. Nu is dat weliswaar betreurenswaardig, maar niet per definitie voer voor de media. Zeker in december, met het vuurwerkgeweld dat reeds weer op de rol staat, gaat er traditioneel het nodige glas aan diggelen. Echter, wat dit specifieke incident nieuwswaardig maakt, is dat de dader een Palestijnse vlag met zich meedroeg. Het behoeft weinig fantasie om te concluderen dat ‘Trump’ en de vernieling hoogstwaarschijnlijk aan elkaar gerelateerd zijn. Maakt dit het dan een terroristische aanslag? Dat hangt ervan af welke definitie je hanteert, maar de meeste zullen zeggen dat een terreurdaad gericht is op (een deel van) de bevolking. Daar is mijns inziens hier geen sprake van: uit de beelden blijkt dat de ramen het moeten ontgelden, maar niets duidt erop dat de omstanders en/of de politie enig gevaar liepen.

Dat brengt me bij het punt waarover ik me nog het meest verbaasd heb, waarbij ‘verbaasd’ zacht is uitgedrukt. Ik begrijp dat er in de tijd waarin we leven  – omringd door camera’s en met de zaak-Mitch Henriquez nog in het achterhoofd – door de politie enige voorzichtigheid betracht wordt wanneer het gaat om het gebruiken van de harde hand bij arrestaties. Echter, hetgeen nu te zien was op de beelden getuigt van een totaal gebrek aan daadkracht en draagt vermoedelijk allesbehalve bij aan het toch al afbrokkelende imago van de politie. Volgens cijfers van het CBS had immers in 2016 liefst dertig procent van de Nederlanders geen vertrouwen in het politieapparaat.

Wat valt er dan precies aan te merken op het optreden van de dienders? Wel, ik zal de situatie even schetsen. Donderdagochtend, omstreeks elven, komt een 29-jarige man, die in Nederland leeft op basis van een tijdelijke verblijfsstatus, aan bij restaurant HaCarmel aan de Amstelveenseweg. Bij zich draagt hij een Palestijnse vlag en een stuk hout. Vanzelfsprekend is er op dat vroege tijdstip niemand in het restaurant aanwezig. Op de beelden is te zien dat de man in gesprek is met (vermoedelijk) een buurtbewoner. Kennelijk heeft de latere vandaal dan al het een en ander geroepen, want reeds voor hij zijn slag(en) slaat, is de politie ter plekke, twee man sterk. Ondertussen staan er nog vier andere omstanders bij het tafereel te kijken. Op het moment dat de dienders hun auto verlaten en op de man aflopen, wendt de vlaggendrager zich af van zijn gesprekspartner en begint met zijn stok in te slaan op het eerste raam.  De agenten beseffen zich op dat moment kennelijk dat het wel fris is buiten, want in plaats van in te grijpen, trekken ze – in alle rust – eerst maar eens hun handschoenen aan. Eén van de politiemannen besluit toch eens een kijkje van dichtbij te nemen, wanneer na twee ramen ook het glas in de deur eraan moet geloven. Nadat hij door de agent is aangesproken, draait de vlaggenist zich om (hij is inmiddels al binnen in het restaurant) en loopt, onhandig struikelend over het opstapje, weer naar buiten. Hij steekt bij wijze van triomfgebaar zijn vlag, samen met een Israëlisch exemplaar dat hij binnen heeft buitgemaakt, de lucht in. Op dat moment ziet agent nummer twee eindelijk zijn kans schoon en bespringt de dader van achteren. Laatstgenoemde geeft zich zonder slag of stoot over, terwijl ook de andere agent inmiddels bovenop hem zit. Inmiddels zijn er nog wat nieuwe ramptoeristen bijgekomen, die allerminst beangstigd overkomen en van dichtbij het schouwspel gadeslaan. Een tweede politiewagen verschijnt tot slot in beeld, waarin de man – inmiddels zonder vlag – wordt afgevoerd. U zult wel denken: onze hoofdstad is aan een bloedige aanslag ontsnapt, dankzij het heldhaftig ingrijpen van de sterke arm der wet…

De reden voor de afwachtende houding van de agenten is – volgens mede-restauranteigenaar Daniël Bar-on in de uitzending van Jinek, op basis van wat hij van de politie had begrepen – dat “je ook niet weet wat hij bij zich heeft, voor hetzelfde geld heeft hij ‘iets’ om zijn middel”. Laten we ervan uitgaan dat dit het geval is: er is inderdaad sprake van een bomgordel. Zou het dan niet verstandig zijn geweest om ervoor te zorgen dat alle toegestroomde omstanders zich als de wiedeweerga uit de voeten maken? Zouden deze omstanders dit gevaar dan niet zelf reeds lang erkend hebben en voor de dreigende aanslag gevlucht zijn? Zou de politie dan geen ander middel dan een busje pepperspray hebben ingezet om de man te overmeesteren? Zou de zogenaamde terrorist zich dan niet meteen opgeblazen hebben, in plaats van eerst nog de moeite te nemen om met een provisorisch wapen als een stuk hout de ruiten van het restaurant in te slaan?

Kortom: het argument dat de politie gebruikt is volstrekte nonsens. Dankzij deze wanprestatie zullen de eigenaren – vader en zoon – zich nooit meer helemaal veilig voelen in hun eigen restaurant. En bovenal: dankzij deze wanprestatie kreeg de Palestijnse activist – laten we hem dan maar zo noemen – de aandacht waarop hij zo gehoopt zal hebben. Ga maar na, hoe nieuwswaardig zou deze kop zijn geweest: “Man met Palestijnse vlag overmeesterd door politie”? Juist, nauwelijks.