Column: Soldaat onder vuur van de media

Stelt u zich eens voor: op een dag hoort u een drenkeling roepen om hulp. U rent op het geluid af en in het water onderscheidt u een op het oog oudere man, die moeite heeft het hoofd boven water te houden. Zonder na te denken springt u erin. De spartelende man is inmiddels kopje onder gegaan, maar u weet waar hij zich moet bevinden. De adrenaline giert door uw lichaam en u duikt de man achterna. Op de tast grijpt u hem bij zijn arm en met moeite trekt u de man op het land. Een kennelijk zojuist gearriveerde omstandster heeft inmiddels 112 gebeld en binnen korte tijd arriveert een ziekenwagen, die de man meeneemt. Hij heeft water in zijn longen, maar zal het overleven, zo weet de ambulancebroeder u te verzekeren. Veel langer had het echter niet moeten duren. U heeft zijn leven gered.

Thuis vertelt u – nog vol adrenaline – aan uw partner wat er is gebeurd. U zag een man in het water, sprong erin, hielp hem aan land en belde meteen de ambulance, die gauw arriveerde. Maar wacht eens even: het was toch de vrouw die kwam aanlopen die de hulpdienst alarmeerde? Ach, het maakt het verhaal wel af wanneer u het ook nog eens was die belde. Vanzelfsprekend kan uw partner amper beseffen wat hij of zij zojuist heeft gehoord. Zo trots als een pauw is hij/zij op u.

De volgende dag komt uw partner thuis van het werk. Wat hem/haar nu toch ter ore gekomen is! Een collega was er gisteren getuige van dat een drenkeling uit het water gered werd. Zij kwam net aanlopen toen het slachtoffer naar de kant geholpen werd. Vanzelfsprekend had zij meteen het alarmnummer gebeld, om een ambulance te laten oproepen. Hoe had u dit nou kunnen doen, vraagt uw partner zich af. U had hem/haar wijsgemaakt dat ú 112 had gebeld. U had uw partner voorgelogen, een schande. Over het feit dat u de drenkeling in veiligheid had gebracht, werd niet meer gesproken. Hoe zou u zich voelen?

Waarschijnlijk heeft majoor Marco Kroon wel een vermoeden. Hij werd in 2009 geslagen tot Ridder der Militaire Willems-Orde 4e Klasse, een onderscheiding die sinds 1955 niemand meer had gekregen. Kroon werd geridderd uit dank voor zijn uiterst heldhaftige optreden tijdens een verkenningsmisie in Uruzgan, in 2006. Tijdens deze missie leed Kroons peloton geen personele verliezen, terwijl er onder de Talibanstrijders – met wie Kroon en de zijnen per toeval in conflict kwamen – wel slachtoffers vielen. Volgens toenmalig koningin Beatrix kreeg hij zijn decoratie “niet niet voor één enkele actie, maar voor zijn optreden als leider, als militair en als mens tijdens de hele missie”.

Momenteel ligt Marco Kroon echter figuurlijk onder vuur, nu er de nodige vraagtekens te plaatsen (b)lijken te zijn bij het ontvoeringsverhaal, dat hij in januari uit de doeken deed. Uit onderzoek van de Volkskrant blijkt dat Defensie geen bewijs heeft gevonden voor een geweldsincident dat zich in 2007 zou hebben afgespeeld en evenmin dat Kroon destijds enige tijd verdwenen zou zijn geweest. Volgens Kroons advocaat Gerard Knoops zijn er echter wel degelijk documenten die de lezing van zijn cliënt bevestigen. Daar er sprake is van staatsgeheime informatie en de bronnen van de Volkskrant hierdoor anonimiteit verzekerd is, blijft het voor de buitenwereld gissen welke versie van het verhaal (of wellicht een combinatie ervan) nu de waarheid is. De vraag is alleen: in hoeverre is dit heel relevant?

“Het land waarin heldenverering ongepast is”

Wat vaststaat is dat Kroon een militair is die meerdere keren is uitgezonden naar oorlogsgebieden als Irak en Afghanistan. Aangenomen mag worden dat hij hier dingen heeft gezien en meegemaakt die op zijn minst als schokkend en wellicht ook als traumatiserend beschouwd dienen te worden. Voor zijn manmoedige optreden in 2006 heeft hij de hoogst mogelijke militaire onderscheiding gekregen. Dat dit verdiend is, mag worden geconcludeerd uit het feit dat er tweeënhalf jaar intensief onderzoek aan voorafging. Mocht het verhaal over zijn ontvoering en het doden van zijn gijzelnemer verzonnen zijn – waar mogelijk nooit duidelijkheid over zal komen – dan doet dit aan bovengenoemde niets af.

Dankzij de berichtenstroom van de laatste maanden, die langzaamaan het karakter van een hetze begint aan te nemen, ontstaat echter de kans dat Marco Kroon de geschiedenisboeken in zal gaan als leugenaar of fantast en niet als buitengewoon dappere en kundige krijgsman. En hoe pijnlijk dit ook is, het is kenmerkend voor Nederland. Het land waar helden van hun sokkel worden gestoten, als ze al de kans krijgen er überhaupt op geplaatst te worden. Het land waarin tunnels en straten van naam moeten veranderen omdat deze doen herinneren aan ons koloniale verleden. Het land waarin het eeuwen moet duren voordat een stadion naar ’s lands beste voetballer aller tijden vernoemd wordt. Het land waarin de grootste volkszanger die we gekend hebben vooral herinnerd wordt als notoire dronkenlap. Kortom: het land waarin heldenverering haast als ongepast beschouwd wordt.

Waar een klein land klein in kan zijn.

Column – Salaris Hamers: ING slaat plank mis

Wat is het toch heerlijk, die vrijheid van meningsuiting. De CEO van ING was een riante salarisverhoging toegezegd en daar waren we het met zijn allen niet mee eens.  Op sociale media lieten mensen hun emoties de vrije loop en kondigden ING-klanten in groten getale aan over te stappen naar een andere bank. Niets mis mee natuurlijk, dat recht hebben we in dit land gelukkig. Net als dat (overwegend linkse) politici eveneens het recht hebben er iets van te vinden. Ze mogen zelfs dezelfde tamelijk primitieve bewoordingen gebruiken (“Van de pot gerukt” – SP-voorzitter Ron Meyer). Echter, het wordt gevaarlijk wanneer ook daadwerkelijk beslissingen gebaseerd gaan worden op de onderbuikgevoelens van het volk. En dat is precies wat er gebeurde. Na de golf van maatschappelijke (en politieke) kritiek besloot de bank de salarisverhoging in zijn geheel in te trekken. Dat valt niet uit te leggen.

Ja, natuurlijk is de kleine twee miljoen euro die ING-topman Hamers nu toch al verdient meer dan voldoende om van rond te komen. Hij verdient daarmee 33 keer zoveel als de gemiddelde werknemer van de bank. Maar zijn loonsverhoging was op basis van zorgvuldig afgewogen argumenten (daarvan mogen we toch uitgaan) goedgekeurd door de Raad van Commissarissen, onder leiding van voorzitter Jeroen van der Veer. Dit controle-orgaan speldt zichzelf een enorm brevet van onvermogen op door nu het voornemen volledig af te blazen, onder druk van de publieke opinie. Een ongekend zwaktebod en een blijk van een schrijnend tekort aan moreel en maatschappelijk inzicht. Hard schreeuwen is kennelijk belangrijker dan inhoudelijke argumentatie.

Daarbij komt nog dat Van der Veer aangaf “de publieke reactie in Nederland op dit duidelijk gevoelige thema onderschat te hebben”. Ja, ammehoela. Deze Van der Veer is de man die onlangs nog Halbe Zijlstra het laatste zetje richting de uitgang van Buitenlandse Zaken gaf, door zijn ‘Poetin-verhaal’ totaal te ontkrachten. Heel het land viel over Zijlstra heen, die zich vervolgens – mede door het uitblijven van de door hem wel verwachte steun van Van der Veer – genoodzaakt voelde af te treden als minister. En deze Jeroen van der Veer onderschatte de kracht van de publieke opinie? Nonsens.

Dat brengt me bij het volgende. Komende week mag Nederland zijn onderbuikgevoel opnieuw de vrije loop laten, als er woensdag niet alleen gestemd wordt voor de gemeenteraden, maar tevens voor of tegen de nieuwe (reeds ingevoerde) Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv), door tegenstanders omgedoopt tot de ‘Sleepwet’. Ik kan u vast voorspellen wat er gaat gebeuren. Het merendeel van de stemmers zal tegen deze wet stemmen, “want we worden straks de hele dag afgetapt door de AIVD”. Dat is namelijk het beeld dat er door de media geschapen wordt. Ik zie, lees en hoor alleen maar de tegenstanders voorbijkomen in de journaals en kranten. Volstrekt logisch dan ook dat het publiek meent dat dit de algemene tendens is. En we lopen maar wat graag met de massa mee. Het kabinet, onder leiding van premier Rutte, zal vervolgens aangeven dat het de uitkomst van het raadgevende referendum in overweging zal nemen. Uiteindelijk gebeurt er vanzelfsprekend niets mee en blijft de wet ‘gewoon’ bestaan.

En dat is een goede zaak. Niet omdat ik per se voor deze wet ben (eerder het tegendeel), maar wel omdat de mensen die de wet opstelden, dit deden op basis van rationele argumenten en met behulp van adviezen van experts. Dat is immers wat er van politici verwacht mag worden. Sterker: het is het basisprincipe van de parlementaire democratie waarin we leven. We kiezen om de vier jaar Kamerleden (en daarmee indirect een premier, ministers en staatssecretarissen) die onze belangen mogen dan wel dienen te vertegenwoordigen. Referenda daarentegen houden in dat burgers zich – over het algemeen – niet gehinderd door enige kennis van zaken mogen uitspreken over allerlei ingewikkelde onderwerpen. Dat is minachting van de gekozen volksvertegenwoordigers en bovendien een schaamteloze vorm van collectieve zelfoverschatting. Daarom stem ik woensdag alleen voor de gemeenteraad.

Column: Britt Dekker: ontwapenend en lang niet dom

Waarschijnlijk is het u al opgevallen dat de meeste columns die hier verschijnen lichtelijk negatief en veelal doordrenkt van cynisme zijn. Daarvan ben ik me ten zeerste bewust, maar het is nu eenmaal het leukst om te doen: commentaar leveren. Bovendien lees ik zelf ook liever scherpe opiniestukken dan hoogdravende éloges. Desondanks wordt het een keer tijd voor dit laatste. Echter, wie me pakweg eergisteren verteld zou hebben dat ik nog eens de loftrompet over Britt Dekker zou afsteken, had ik voor gek verklaard. Britt Dekker, u weet wel: het domme blondje met dat rare accent en die aparte neus, van wie eigenlijk niemand precies weet waarvan ze nu eigenlijk bekend is. Welnu, dit stuk gaat over Britt (en Huub). Twee mensen die compleet zichzelf zijn op tv.

Het moet meerdere maanden geleden zijn dat ik nog eens naar De Wereld Draait Door keek. Bijna automatisch wil ik nu gaan beschrijven waarom het kunstje van Matthijs wat mij betreft al een poosje uitgewerkt is, maar dat gaat niet gebeuren. Dit wordt een positieve column. DWDD dus, donderdagavond. Het Sportjournaal had ik gekeken en inmiddels lag de krant voor me op tafel. De eerste pakweg twintig minuten van de uitzending zijn me eigenlijk compleet ontgaan, het diende als achtergrondgeluid. Wat ik me herinner is dat onder anderen Prem Radhakishun (zonder te googelen!) te gast was. Daarna schoof de zanger van ’s lands beste Nederlandstalige band, De Dijk, aan. Huub van der Lubbe was gestoken in een opvallend blauw kostuum, dat hij speciaal voor zijn aankomende (solo)theatershow had laten maken. Zijn tevens nieuwe kapsel deed me denken aan een voormalige Duitse leider die zijn boodschappen altijd bij de Albert Heijn deed.

Maar goed, Huubs theatershow dus. Daarover is de kijker gedurende het gesprek van pakweg een kwartier vrijwel niets te weten gekomen en dat is totaal niet erg. Na Matthijs’ vraag over hoe het precies zat met het pak ontstak Huub namelijk in een bevlogen monoloog, die de kijker voerde van de middelbare school van Huub, waar hij voor het eerste échte muzikanten in échte pakken zag, tot een hilarische anekdote over een bezoek aan een concert van Joe Cocker. Van der Lubbes enthousiasme was schitterend om te zien. Hij sprak zichtbaar met plezier en leek totaal vergeten dat hij zijn aankomende theatershow ‘moest’ promoten. Van Nieuwkerk gooide zijn vragen weg, legde de benen op tafel en luisterde zichtbaar bewonderend toe. Over Joe Cocker zei Huub: “Ik heb nooit iemand meegemaakt die hem niet lief vond”.

‘Britt Dekker is een verademing, in een tijd van massahysterie, schijnheiligheid en bedachtzaamheid’

Dit laatste moet haast wel voor Britt Dekker gelden, na deze betreffende uitzending. Onlangs stal ze al de harten van een groot deel van Nederland, toen ze was uitgenodigd om te komen vertellen over het leven van een realityster, naar aanleiding van ‘Barbie-gate’. Nu wilde Nederland graag weten wat Britt tegenwoordig eigenlijk doet. Welnu, ze blijkt actief in de paardensport en niet onverdienstelijk. Tegelijkertijd presenteert ze een wekelijkse vlog, waarin ze de (jonge) kijkers vanalles bijbrengt over haar favoriete dier. Persoonlijk zou me dit eerlijk gezegd een zorg zijn, maar toch bleef ik kijken. Want wat was dit een verademing, in een tijd van massahysterie, schijnheiligheid en bedachtzaamheid. Aan tafel zat een jonge vrouw die haar woorden niet woog, maar zei wat ze wilde zeggen. Ontwapenend, puur, bijzonder geestig en vooral: lang niet dom. Ja, natuurlijk, het begint op te vallen wanneer iemand – zonder te overdrijven – in vrijwel iedere zin tenminste één keer ‘zeg maar’ zegt. En ja, door meerdere wetenschappers is aangetoond dat het hebben van een (zwaar) accent de gepercipieerde mate van intelligentie negatief beïnvloedt. Maar prik je daardoorheen, dan word je verrast door een bijzonder frisse en bovendien goed doordachte kijk op zaken.

Zo werden zowel het publiek als de presentator en andere tafelgasten veelvuldig op het verkeerde been gezet, door een dame die daar zelf niet eens erg in leek te hebben. Al vertellend over haar paardenvlog, waardoor ze tienduizenden fans heeft, zei Britt dat ze vroeger zelf altijd fan was van twee mensen. Dit bleken niet Anky van Grunsven en Edward Gall te zijn. Nee, het waren de tandarts en de schooljuf. Het publiek lag dubbel van het lachen. Maar de onderliggende gedachte – dat deze mensen dagelijks voor anderen klaarstaan – sneed absoluut hout. Nog eentje: “Ik vind het persoonlijk knapper als je een hartoperatie kan uitvoeren dan dat je een programma presenteert.”

Maar het mooiste deel van de uitzending kwam pas hierna. Van Nieuwkerk sneed het onderwerp orgaandonatie aan. Gezien het wetsvoorstel dat momenteel in de Eerste Kamer ligt én het feit dat Britts vader onlangs overleed en zijn organen doneerde, een relevant thema. In alle eerlijkheid haastte Britt zich te zeggen dat het haar wellicht moeite zou kosten erover te praten, omdat het nog zo vers was. Thuis op de bank zag je haar ogen vochtig worden en hoorde je de tranen in haar stem doorklinken. Vanuit de grond van haar hart hield ze een oprecht pleidooi voor verplichte donorregistratie. Haar vader had – postuum – met zijn organen al het leven van zes mensen weten te ‘redden’ en dat zei ze “wel heel cool” te vinden. Op de achtergrond zat zelfs Prem – die gedurende het hele gesprek had zitten schaterlachen – instemmend te knikken. Matthijs sloot het gesprek af. “Fijn dat je er was, Britt, tot de volgende keer.” Op dat moment moeten de woorden van Huub van der Lubbe door zijn hoofd geschoten zijn:

‘Een man weet niet wat hij mist, maar als ze er niet is, weet een man pas wat hij mist.’

Column: Jesse en de zeshonderd schaapjes

©Frank Breukelman Media – Meetup GroenLinks

Vanavond ben ik bij de voorstelling ‘Jesse en de zeshonderd schaapjes’ geweest. Nu moet u weten: ik ben niet zo’n toneelliefhebber, maar de entree was gratis en ik had toch geen andere plannen. Het vond plaats in Hedon, Zwolle.

Omstreeks half acht liep ik het gebouw binnen. Het was gematigd druk. Volgens de vooraankondiging zouden er zo’n zeshonderd bezoekers zijn. Ik keek op mijn horloge en bedacht me dat de rest ongetwijfeld nog zou komen. De voorstelling zou om acht uur beginnen. Na koffie besteld te hebben, settelde ik me aan één van de opgestelde staantafels in de foyer. De andere reeds gearriveerde gasten hadden zich zichtbaar gekleed op de gelegenheid. Netjes, maar niet te chique. De heren droegen blousjes op hun spijkerbroek, de dames hadden de hoge hakken thuisgelaten, maar hadden hun vrijetijdskleding wel degelijk verruild voor een outfit die past bij een avondje uit. Rond kwart voor acht verplaatste ik mezelf naar de zaal en nam helemaal achteraan plaats bij de bar. Het binnendruppelende publiek observerend moest ik vaststellen dat ik met mijn 24 jaar ruimschoots onder de gemiddelde leeftijd zat. Deze schatte ik op pakweg 55. De sfeer was gemoedelijk, veel mensen leken elkaar te kennen. Een van de weinige aanwezige jongemannen (lang haar, flinke baard, wijde trui) flirtte opzichtig met het meisje achter de bar. Vlak voordat hij beet had, dempte het licht echter iets en kwam er een dame het podium op. De voorstelling kon beginnen.

Ze stelde zich voor als Suzanne Kröger. Op een kleine verspreking na – “Schiph…, ehh, Lelystad Airport natuurlijk” – oogde ze redelijk ontspannen. Ze leek er zin in te hebben en vertelde het publiek wat het deze avond kon verwachten. Het stuk zou gaan over de strijd van Suzanne en haar makkers tegen een monster. Of nee, niet slechts één monster, maar een hele populatie van vliegende draken, die ze ‘vliegtuigen’ noemde. Die vliegtuigen hebben Lelystad als bestemming en neigen ernaar om hun laatste pakweg vijftig kilometer op nog geen kilometer hoogte te vliegen, waarbij ze een oorverdovend lawaai ten gehore brengen. En die laatste vijftig kilometer, dat was precies boven het woongebied van het aanwezige publiek. Voelt u de spanning?

Een tweede personage betrad vervolgens de planken, vergezeld van een – door Suzanne aangezwengeld – luid applaus. Zij had hem reeds voorgesteld: Leon Adegeest, alias ‘De Pitbull van Dalfsen’. De Pitbull had zich duidelijk vastgebeten in zijn tekst, maar het acteerwerk liet enigszins te wensen over. Het zal de spanning geweest zijn: Adegeest gaf aan het begin van zijn relaas reeds aan dat hij dit ‘niet elke dag’ doet. Uit zijn verhaal viel op te maken dat het monster was gecreëerd in Den Haag, door een soort kwade genius die ‘het kabinet’ gedoopt werd. Bij iedere sneer die De Pitbull uitdeelde aan deze schepper, joelde het publiek er flink op los. Het leek alsof Adegeest niets verkeerds kon zeggen. Bij het – tot dan toe – demagogische hoogtepunt, “hoe gek denken ze in Den Haag wel niet dat we zijn in het Oosten”, brak men welhaast de tent af. Maar toen moest het hoofdpersonage nog komen…

Als een darter zonder walk on-girls kwam hij van achteruit de zaal het podium opgestoven, begeleid door ‘I Gotta Feeling’ (that tonight’s gonna be a good night) van de Black Eyed Peas. Nette pantalon, de mouwen van het witte overhemd zoals inmiddels gebruikelijk opgestroopt. Nadat de iets te lang door blijven lopende muziek was opgehouden, vroeg Jesse Klaver zich hardop af of er wellicht ook ‘mensen uit Zwolle’ aanwezig waren. U verwacht het niet, maar er klonk gejoel door de zaal. Toevallig ook Apeldoorners? Welja, zelfs die. Dat de mensen uit Lelystad door de ‘Jessias’ werden aangesproken als ‘Lelystadters’ deerde hen niet: ook zij maakten hun aanwezigheid met graagte kenbaar.

Wat volgde was een staaltje volksmennerij waar de honden geen brood van lusten. Klaver wisselde rustige episodes, waarin hij onder andere vertelde over de wijze lessen van zijn opa, die hij als achtjarige tot op het woord nauwkeurig had onthouden, af met stemverheffingen en vurige pleidooien. Wanneer het klapvee niet meteen doorhad dat er een applaus verwacht werd (hetgeen slechts een enkele keer voorkwam, of wellicht waren de handen inmiddels al stukgeslagen), hield hij gewoon een pauze om het publiek ‘de kans’ te geven hem wederom toe te juichen. Deze gênante vertoning hield Klaver een minuut of twintig vol. Hierna kreeg het publiek de kans vragen te stellen. Dit wil zeggen: men steke eerst een oneindig aantal veren in het achterwerk van de hoofdrolspeler en sluit af met een vraagteken. Wie er vragen mocht stellen werd bepaald door een tweetal medewerkers van de toneelvereniging GroenLinks. Geheel toevallig kwamen er zodoende onder anderen twee lokale GroenLinks-fractieleiders aan het woord en enkele leden van de stichting ‘Red de Veluwe’, die bijzonder gebaat is bij een vliegtuigarm luchtruim boven hun natuurgebieden. Na het slotwoord verliet de ‘Vliegtuigverlosser’ onder luid applaus het podium. “We want more” ontbrak er nog net aan.

Mocht u nu denken dat ik per definitie iets tegen GroenLinks of Jesse Klaver heb: dat is niet het geval. Heb ik iets mét de partij? Nee, ook niet zozeer. Ben ik dan groot voorstander van Lelystad Airport. Nee. Tegenstander evenmin. Ik was vooral erg benieuwd hoe een ‘GroenLinks-meetup’, een avond met uitsluitend gelijkgestemden, eruit zou zien. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat het eng zou worden, sektarisch. Dat viel reuze mee. Het was vooral lachwekkend.

Column: Jinek heeft nog veel te leren

Deze week heeft er iets schokkends plaatsgevonden. U moet weten: als nieuwsjunk ben ik een vaste kijker van Jinek, sla zelden een aflevering over. Maar de laatste tijd bekruipt me steeds vaker een onbehaaglijk gevoel, dat ik niet goed kan thuisbrengen. En donderdagavond, omstreeks tien uur, volgde de climax, toen ik de TV Gids-app opende om te kijken wie er die avond aan tafel zouden zitten. En daar stond het, de naam van NOS-fossiel Charles Groenhuijsen. Hij werd vergezeld door schrijver en beroepschagrijn Tommy Wieringa, de Amsterdamse wethouder Laurens Ivens en zijn vrouw en, als klap op de vuurpijl, Wendy van Dijk en nog een andere actrice, een zekere Romana Vrede. De volgende ochtend werd ik uitgerust wakker: ik was een uurtje eerder naar bed gegaan dan normaliter.

Vooral de aanwezigheid van Groenhuijsen maakte dat ik besloot om maar een aflevering over te slaan. Voor mijn gevoel schuift de man iedere week aan, om Eva’s favoriete onderwerp, Donald Trump, te bespreken (lees: af te zeiken). In de praktijk bleek hij sinds het nieuwe seizoen van Jinek begon, op 4 december jongstleden, pas voor de tweede keer te gast te zijn. Maar ik had het gisteren opnieuw, toen Teun van de Keuken weer eens kwam vertellen over hoe we belazerd worden door de voedingsmiddelenindustrie (of in dit specifieke geval: een app van het Voedingscentrum). Ik ben de gastenlijst van het programma eens door gaan neuzen en wat blijkt: na politiek commentator Joost Vullings is Van de Keuken de meest uitgenodigde gast! Liefst vier keer mocht hij de afgelopen 35 uitzendingen komen opdraven, waarvan liefst driemaal in de afgelopen twee weken.

Zou hier dan dat gevoel vandaan komen? Zie ik te vaak dezelfde personen aan tafel? Welnu, een rekensommetje. Sinds 4 december hebben er 35 afleveringen van Jinek plaatsgevonden. In deze afleveringen verwelkomde Eva in totaal 148 unieke gasten. Dertien van hen keerden vaker terug aan tafel, gemiddeld 2.53 keer (zie het diagram hieronder). Zodoende zat er 168 keer een gast aan tafel, ongeacht zijn of haar naam. Wanneer we dit delen door het aantal uitzendingen, 35, komen we op een gemiddelde van 4.8 gasten per uitzending. De kans dat een gast voor (tenminste) de tweede keer aanschuift, is 19.64 procent. Dit vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal gasten per aflevering, 4.8, levert het getal 0.94 op. Dit is het gemiddeld aantal terugkerende gasten per uitzending. Kortom: in vrijwel iedere editie van Jinek zit één gast die je onlangs al eerder aan tafel hebt zien zitten! Daarbij komt nog dat het merendeel van de hierboven weergegeven terugkerende gasten personen uit de media zijn, vaak journalisten. Dit maakt dat zij zich met enige regelmaat mengen in de overige gesprekken aan tafel, hetgeen waarschijnlijk het gevoel dat je iedere keer naar dezelfde mensen zit te kijken versterkt.

Maar dit is niet het enige. Ook Jeroen Pauw verwelkomt met enige regelmaat dezelfde gesprekspartners, maar naar zijn programma kijk ik altijd met veel plezier. Met meer plezier dan naar Jinek. Grotendeels komt dit door de totaal verschillende manier waarop beide presentatoren hun talkshow leiden. Eva Jinek is een uitstekende journalist, in de zin dat ze zich perfect voorbereidt op de gesprekken. Ze leest zich tot in de puntjes in en heeft, zo vermoed ik, op haar papieren exact staan wat ze wil gaan vragen en in welke volgorde. Daar valt natuurlijk wat voor te zeggen, maar ze gaat ermee wel voorbij aan het genre waaronder haar programma valt: een talkshow. Jinek maakt er met enige regelmaat een interviewshow van, met een duidelijke rolverdeling: zij als vragensteller, de gast als respondent. Echter, wanneer een andere tafelgast zich met het gesprek wil bemoeien, wordt dit in de regel snel afgekapt. Er mag beslist niet buiten de lijntjes gekleurd worden. Hierin zit het grote verschil met haar mannelijke collega. Jeroen Pauw laat het gesprek aan tafel ontstaan, hetgeen veel natuurlijker overkomt. Hij lijkt zich, meer dan Jinek, te realiseren dat de kijker thuis naar een tafel vol mensen zit te kijken, in plaats van naar een talkshowhost die vergezeld wordt door (aan haar ondergeschikte) gasten.

Verder zit ik bij Jinek me nog te vaak op de bank op te winden over door haar gemiste kansen. “Vraag dan door!”, ik roep het af en toe hardop. Tevergeefs. Of laatst, met de drie studentes aan tafel, over de door Rambam vastgestelde misstanden binnen hun studentenvereniging. Die had Eva volledig moeten fileren, ze kreeg het mes zelfs in de schoot geworpen. Maar ze spaarde hen, weigerde zich hardop af te vragen of het nieuwe lid niet door het bestuur gedwongen werd zich van alle aantijgingen te distantiëren, teneinde lid te mogen blijven.

En dan nog de dagelijkse dosis Trump die de kijker door de strot geduwd krijgt. Iedere scheet wordt breed uitgemeten. Zit Groenhuijsen of een andere Amerika-kenner niet aan tafel om te reageren op een domme uitspraak van de VS-president, dan komt er wel minstens één fragmentje van een Amerikaanse comedian voorbij in het dagelijkse rubriekje ‘Wat ons vandaag verder opviel in het nieuws’. De redactie van Jinek zou zich eens moeten realiseren dat zij het nieuws dient te selecteren dat voor de kijker relevant is, niet wat de dame aan het hoofd van de tafel grappig vindt.

Nee, Omroepvrouw van het Jaar of niet, er valt nog een hoop te leren. Ik verheug me alweer op het nieuwe seizoen van Pauw, maar tot dan toe zal ik gewoon naar Jinek blijven kijken. Van Humberto Tan als alternatief wordt immers niemand vrolijk, behalve Tan zelf.